Estate Planning Expert
 

ACTUEEL
01-12-2022 - HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1793
01-12-2022 - HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1810

Actualiteiten inkomstenbelasting 2018 (FTV 2019/4)

LinkedIn
02-07-2019 | Categorie: Literatuur

Prof. mr. N.C.G. Gubbels

In het jaar 2018 is een aantal voor de estateplanningspraktijk interessante uitspraken en besluiten verschenen die betrekking hebben op de inkomstenbelasting, welke in dit artikel aan bod komen.
Het eerste onderdeel van het artikel gaat over de eigenwoningregeling. In het besluit van 30 januari 2018 wordt een goedkeuring gegeven voor de situatie dat partners een woning verwerven in de verhouding 50%-50% en daarvoor ook een schuld zijn aangegaan in de verhouding 50%-50%. De goedkeuring is alleen relevant als de partners ieder een verschillend eigenwoningverleden hebben. De goedkeuring leidt ertoe dat het eigenwoningverleden van de partners wordt samengevoegd en fifty-fifty wordt verdeeld. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat de toepassing van de bijleenregeling bij een van de partners ertoe leidt dat bij de aankoop van een nieuwe woning door de partners gezamenlijk de eigenwoningschuld voor een deel naar box 3 verhuist. Helaas is daarmee de kous niet af. De goedkeuring werkt prima tijdens de relatie, maar niet ingeval van scheiding. Aan de hand van een voorbeeld toont de auteur aan, dat de partner, die eerst geen eigenwoningverleden had, door de goedkeuring de helft van de eigenwoningreserve van de andere partner heeft overgenomen. Tegelijkertijd moet die eerstbedoelde partner de ontstane vergoedingsschuld aan de laatstbedoelde partner aflossen. Dit lijdt tot het onbillijke resultaat dat die eerstbedoelde partner wel fiscaal een overwaarde heeft, maar feitelijk niet. Ook bij een bestaande eigenwoningschuld pakt de goedkeuring vervelend uit bij scheiding. Door de goedkeuring kan de bestaande eigenwoningschuld, inclusief het renteaftrekverleden, van een van beide partners voor de helft overgaan op de andere partner. Dit betekent dat de partner door de goedkeuring weliswaar een bestaande eigenwoningschuld krijgt, maar daaraan is ook gekoppeld het renteaftrekverleden. Een interne draagplichtregeling, in huwelijkse voorwaarden of samenlevingscontract, komt aan deze bezwaren tegemoet. Tijdens de relatie werkt deze regeling hetzelfde als de goedkeuring en bij het einde van de relatie krijgt ieder waar hij/zij recht op heeft. Door de volledige rente in de aangifte in aftrek te brengen, wordt een (wellicht onbedoeld) beroep gedaan op de goedkeuring. Makkelijker kan men het in de uitvoering niet maken, maar de wetgever kan dat wel. Een goed begin zou zijn om partners zowel tijdens de relatie als bij scheiding, zelf te laten kiezen op welke wijze ze het eigenwoningverleden wensen te verdelen. Zolang daarvan geen sprake is, kunnen partners eventuele onwenselijke gevolgen bij (echt-)scheiding alleen voorkomen door een interne draagplichtovereenkomst.
Het tweede onderdeel betreft de eenmalig verhoogde vrijstelling voor de eigen woning. De zogenoemde jubelton voor de eigen woning is buitengewoon populair. De vraag is echter of het schenken vanuit financieel oogpunt altijd gunstiger is. Geld lenen door een ouder aan zijn kind is ook een optie. Als de ouder een hogere rente ontvangt dan zijn huidige rendement, dan is het lenen aan het kind vanuit financieel oogpunt gunstiger. Het financiële voordeel kan nog groter worden als het kind aan de ouder een hogere rente betaalt dan aan de bank. De box 3-heffing bij de ouder sluit niet aan bij de werkelijke rente, maar de aftrek bij het kind wel. Des te hoger de rente, des te meer fiscaal voordeel.  Voor de beoordeling van de zakelijkheid van de rente is de rente die het kind voor een vergelijkbare lening bij een zakelijke derde partij zou zijn verschuldigd, het uitgangspunt. Als er geen zekerheid wordt verschaft, rechtvaardigt dit een (iets) hogere rente. Maar het gaat niet alleen om formele zekerheid. Ook om materiële zekerheid. Als materieel gezien het kind goed is voor zijn geld, moet aan het ontbreken van formele zekerheden niet te veel gewicht worden toegekend (ECLI:NL:RBDHA:2018:10443). Daarnaast kan ook worden overeengekomen dat de lening direct opeisbaar is. In dat geval kan de rente sowieso op 6% worden gesteld. Als de rente al te hoog zou zijn, ontbreekt voor de Successiewet de heffingsgrondslag. Op grond van art. 15 SW wordt immers bij wege van fictie een rente van 6% in aanmerking genomen.
Het derde onderwerp gaat over de doorschuifregelingen in box 2, waarin het inkomen uit aanmerkelijk belang is belast. Het inkomen uit aanmerkelijk belang bestaat uit reguliere voordelen (dividend) en vervreemdingsvoordelen. In een aantal situaties heeft de wetgever goedgekeurd dat die laatste belastingclaim niet onmiddellijk hoeft te worden afgerekend, maar kan worden doorgeschoven. Dit is onder andere het geval bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap of nalatenschap binnen twee jaar ontbinding van de huwelijksgemeenschap of het overlijden. In het geactualiseerde besluit van 9 maart 2018 geeft de staatssecretaris aan dat het voor de doorschuifregelingen van art. 4.17 en 4.17a Wet IB 2001 voldoende is dat er wilsovereenstemming bestaat over de verdeling en de financiële gevolgen daarvan. Het besluit betreft de gevolgen voor de inkomstenbelasting. De Successiewet kent voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten echter ook een tweejaarstermijn. Als binnen twee jaar na overlijden de huwelijksgemeenschap of nalatenschap is verdeeld, wordt bij de nieuw ontstane gerechtigdheid aangesloten (art. 35f SW). Het is onduidelijk of de economische benadering uit het aanmerkelijkbelangbesluit ook geldt voor de toepassing van de Successiewet.  Het is voorts opmerkelijk dat in het recent gewijzigde aanmerkelijkbelangbesluit, een goedkeuring uitdrukkelijk wordt onthouden als de huwelijksgemeenschap in het zicht van echtscheiding wordt opgezocht. In onderdeel 5.11 van het verzamelbesluit keurt de staatssecretaris vervolgens voor zover nodig goed dat als de aandelen tot een huwelijksgemeenschap behoren, een fiscaal gefacilieerde splitsing kan plaatsvinden in een vennootschap met een materiële onderneming en een vennootschap met beleggingsvermogen. Op die manier kunnen de aandelen in de actieve onderneming fiscaal geruisloos worden toegedeeld aan de voortzettende echtgenoot en de aandelen in de beleggings-bv fiscaal geruisloos aan de niet-voorzettende echtgenoot (art. 4.17 Wet IB 2001).

Wanneer u een abonnement heeft op SDU Opmaat, dan kunt u middels onderstaande link het complete artikel raadplegen: artikel FTV 2019/4/17.

Naar literatuur overzicht


Naar boven

Gebruiksvriendelijke Modellen Testamenten
Altijd up-to-date en inclusief een uitgebreide en heldere toelichting voor de testateur

Wilt u beter adviseren over estate planning?
Meld u dan vandaag nog aan voor de opleiding Estate Planning Specialist

Kent u onze Estate Planning Tools al?
De meest geavanceerde reken- en datatoepassingen op de Nederlandse markt

Driedaagse Leergang Levenstestament
Uitgebreide leergang waarin alle relevante deelonderwerpen aan bod komen

Modellen Huwelijkse Voorwaarden
Nu inclusief een uitgebreid model mét toelichting voor ongehuwde samenwoners

Twitter Linkedin